Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
Voor veehouders die een veehouderijonderneming in Noord-Brabant in aangewezen gebieden volledig of gedeeltelijk beëindigen.
Ook bekend als Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant
Waar is deze subsidie voor?
Provinciale subsidieregeling voor veehouders in Noord-Brabant die hun veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk beëindigen in aangewezen gebieden. Doel is stikstofemissiereductie ter bescherming van Natura 2000-habitats. Totaal subsidieplafond € 19.833.256.
Voor wie is het bedoeld?
Voor veehouders die een veehouderijonderneming in Noord-Brabant in aangewezen gebieden volledig of gedeeltelijk beëindigen.
Waarvoor kunt u subsidie krijgen?
- Stikstofemissiereductie in Natura 2000-gebieden
- Beëindiging van veehouderijlocaties in Noord-Brabant
- Subsidie voor volledige of gedeeltelijke sluiting van veehouderijen
Voorwaarden
- Veehouderijlocatie moet liggen op grondgebied Noord-Brabant
- Locatie moet liggen in aangewezen gebieden (bijlage 1)
- Geen eerdere subsidie voor dezelfde sluiting
- Veehouder mag geen aanvraag hebben ingediend onder landelijke beëindigingsregelingen
- Veehouder moet daadwerkelijk veehouderijonderneming drijven
- Productiecapaciteit moet onafgebroken vijf jaren voor vooraanmelding in bedrijfseconomisch gangbare wijze zijn gebruikt
- Veehouder mag nog niet begonnen zijn met sluiting
- Stikstofemissiereductie moet minimale drempelwaarde overschrijden (250-750 kg ammoniak/jaar afhankelijk van diertype)
Kom ik in aanmerking?
De eisen uit de regeling. Uw situatie bepaalt of u voldoet; dit is geen beschikking.
Openstellingen en rondes
- Start
- -
- Sluit
- -
- Budget
- -
- Verdeling
- -
Documenten
- handreiking_toestemmingverlening_voor_de_resterende_activiteit_bij_deelname_aan_verschillende_be.pdf · 13 pag.
Toon documenttekst
Intern gebruik Handreiking toestemmingverlening voor de resterende activiteit bij deelname aan verschillende beëindigingsregelingen Door: LVVN, IPLG, BIJ12, Omgevingsdienst Brabant Noord, Provincies Noord- Brabant, Gelderland, Limburg, Overijssel en Drenthe, Gemeente Ede Versie 1.0 d.d. 8 april 2025 Versie 1.1 d.d. 16 juni 2025 Versie 1.2 d.d. 6 januari 2026 Inleiding De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024 over intern salderen1 hebben tot gevolg gehad dat de verlening van natuurvergunningen grotendeels stil is komen te vallen. Dit heeft impact op ondernemers in verschillende sectoren, waaronder de landbouw. Veehouders die deelnemen aan beëindigingregelingen2 dreigen door de ontstane situatie direct in de knel te komen. Die regelingen bieden deelnemers de mogelijkheid dat zij na beëindiging van hun veehouderij, op die locatie een andere activiteit mogen verrichten (anders dan het houden van ‘landbouwhuisdieren’) als die nieuwe activiteit maximaal 15% van de oorspronkelijk vergunde stikstofruimte vergt3. Die beperking tot de stikstofruimte die binnen die 15% nodig is voor de nieuwe activiteit moet op verzoek van de betrokken ondernemer worden vastgelegd in een 1 Zie https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/december/rechtspraak-over-intern-salderen-wijzigt/ 2 Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv), Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus), Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren (Lbv kleinere sectoren). De handreiking kan ook worden toegepast op de provinciale subsidieregelingen gebaseerd op de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties (Rpgb) Er gelden wel aanvullende voorwaarden die onderaan de handreiking zijn opgenomen. De Rpgb zelf is geen subsidieregeling maar een specifieke uitkering aan de provincies met genotificeerde voorwaarden. De provincies kunnen op basis hiervan een regeling maken met de voorwaarden die in de Rpgb zijn opgenomen. Het handelingsperspectief is van toepassing op de provinciale subsidieregelingen die gebruik maken van het genotificeerde en goedgekeurde voorwaardenkader, die in de Rpgb/specifieke uitkering is opgenomen. Voor de duidelijkheid wordt in het stuk gesproken over de RPGB en de daarop gebaseerde provinciale regeling, niet over de MGB. 3 De provincies kunnen in hun provinciale subsidieregelingen strenger zijn dan de Rpgb voorschrijft (maximaal 15%) en bijvoorbeeld een maximale restemissie van 10% van de oorspronkelijk vergunde stikstofruimte bieden. Disclaimer: deze handreiking is een gezamenlijk opgesteld document om bevoegde gezagen te ondersteunen hoe kan worden omgegaan met de resterende activiteit bij deelname aan beëindigingsregelingen gezien de uitspraken van de Raad van State van 18 december 2024. Aan de handreiking kunnen geen rechten worden ontleend. Het is een levend document dat steeds wordt aangepast op basis van nieuwe inzichten. Vragen? Voor provincies: neem contact op met IPO/Bij12. Voor overige vragen: mail je vraag naar OndersteuningUAPB@minlnv.nl -- 1 of 13 -- Intern gebruik besluit van het bevoegd gezag. Dit betreft echter een vorm van intern salderen. Intern salderen is door de uitspraken natuurvergunningplichtig geworden4. Voor intern salderen kan alleen een natuurvergunning worden verleend als het volledig beëindigen van de stikstofdepositie van de veehouderij niet nodig is voor de natuur (het ‘additionaliteitsvereiste’). De mogelijkheid om een andere economische activiteit te ontplooien is voor veel veehouders een belangrijke overweging/aspect bij hun besluit om te stoppen met hun veehouderij. Indien die mogelijkheid vervalt of als het te lang duurt voordat de verlening van natuurvergunningen weer mogelijk wordt, is de kans reëel dat een groot aantal veehouders hun subsidieaanvraag alsnog in zal trekken. Dit zal allereerst een teleurstellende uitkomst zijn voor die ondernemers die het moeilijke besluit hebben genomen om hun veehouderij te beëindigen, maar het zal ook negatief uitpakken voor het doelbereik van de betrokken regelingen. Om op een zo kort mogelijke termijn tot een oplossing te komen hebben het ministerie van LVVN, provincies en gemeenten in gezamenlijkheid gewerkt aan een handelingsperspectief waarmee het verlenen van toestemming aan deelnemers aan deze regelingen weer mogelijk kan worden. De handreiking gaat wat betreft het dictum uit van de situatie dat de deelnemer al een natuurvergunning heeft. Voor gevallen waarin deelnemers in de huidige situatie een milieutoestemming hebben, zal per geval moeten worden bekeken hoe van de combinatie intrekking van de huidige milieutoestemming en verlening van de nieuwe natuurtoestemming juridisch vorm krijgt. Handelingsperspectief in een notendop Het perspectief is erop gericht een natuurvergunning te verlenen voor het nieuwe project met intern salderen artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn). Daarbij wordt onderbouwd dat de mitigatie die ingezet wordt voor het nieuwe project niet is aan te merken als “passend”, aangezien deze voortvloeit uit een passende maatregel, zijnde de regelingen. Deze regelingen zijn gericht op vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties ter reductie van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en overbelaste Natura 2000-gebieden. Daarbij is integraal onderdeel van de beëindigingsmaatregel dat deelnemers na de beëindiging op de locatie een nieuw project kunnen uitvoeren mits de stikstofemissie van dat nieuwe project relatief beperkt is. Tegelijkertijd wordt er ook een alternatieve route verkend, waarbij de sluiting van de veehouderij samen met de nieuwe activiteit wordt aangemerkt als passende maatregel (artikel 6 lid 2 Habitatrichtlijn). Dan hoeft en kan er voor de nieuwe activiteit niet een natuurvergunning (te) worden verstrekt. De beperking van de toegestane stikstofemissie tot wat nodig is voor de nieuwe activiteit kan dan bijvoorbeeld worden geregeld in een maatwerkbesluit (maatwerkvoorschrift). Daarmee wordt met het oog op de natuur de maximale emissie vastgelegd en een 4 Als significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. -- 2 of 13 -- Intern gebruik dergelijk besluit is ook voor de deelnemer aan de beëindigingsregeling van belang vanwege de subsidievoorwaarde dat het bevoegd gezag een besluit heeft genomen op grond waarvan de toegestane stikstofemissie van de nieuwe activiteit wordt vastgelegd en maximaal 15% [of eventueel een lager percentage in het geval van de RPGB] van de voorheen toegestane stikstofemissie bedraagt. Het voorgaande geldt ook voor gevallen waarin de deelnemer voor zijn veehouderij geen natuurvergunning maar een milieutoestemming heeft. Bij verlening aan de deelnemer van een natuurvergunning zal in het besluit toelichting moeten worden gegeven op de milieutoestemming die wordt ingezet als referentiesituatie en hoe deze wordt ingetrokken. Mogelijkheden in toestemmingsvarianten en belang van timing De wijziging van een veehouderij in een nieuwe activiteit bestaat vergunning- technisch gezien uit twee stappen: het intrekken van de bestaande toestemming enerzijds en het verlenen van een toestemming voor het nieuwe project anderzijds. Aan de verschillende combinaties van intrekken en verlenen zijn voor- en nadelen verbonden die in de werkgroep zijn besproken. Daarbij is de conclusie getrokken dat het maken van één besluit waarbij zowel de oude rechten worden ingetrokken als ook de nieuwe situatie wordt vergund de meeste zekerheden geeft. • Door beide besluiten aan elkaar te koppelen wordt duidelijk dat het nieuwe project voortvloeit uit de passende maatregel en kan dit ook in de vergunning onderbouwd worden; • Indien het verlenen van de natuurvergunning onverhoopt sneuvelt bij de rechtbank vervalt ook het intrekken van de vergunning, hetgeen de ondernemer de rechtszekerheid geeft dat dan in ieder geval de bestaande natuurvergunning in stand blijft; • Dubbele kosten door het doorlopen van twee procedures worden voorkomen. • Nb. In geval dat in de bestaande situatie sprake is van een milieutoestemming, is het van belang dat eerst de natuurvergunning wordt verleend, voordat de milieutoestemming wordt ingetrokken. Hierbij zijn vaak meerdere bevoegde gezagen betrokken (provincie en gemeente en/of omgevingsdienst). Er dient goede afstemming plaats te vinden om deelnemers de meeste zekerheid te bieden. Zie daarvoor het template en het dictum. Uitgangspunt is dat vooraf bekend moet zijn wat het beoogde nieuwe project is. Indien eerst een intrekkingsbesluit genomen zou worden bestaat het risico dat bij het verlenen van een vergunning op een later moment de rechter niet langer het verband ziet tussen beide besluiten. In dat geval zou het nieuwe project vergund moeten worden via “reguliere” interne saldering, inclusief toets aan het additionaliteitsvereiste aan de hand van de staat van de Natura 2000-gebieden. In -- 3 of 13 -- Intern gebruik die gevallen waar de gedeeltelijke intrekking al heeft plaatsgevonden is het essentieel alsnog de link tussen beide besluiten te leggen in de te verlenen vergunning voor het nieuwe project, maar enig risico is in dat geval niet uit te sluiten. Natuurvergunning blijft casusspecifieke afweging door bevoegd gezag Het is aan de provincie om steeds een afweging te maken of de nieuwe activiteit op de locatie aanvaardbaar is, gelet op de natuurgevolgen. Het feit dat een nieuwe emissie niet meer stikstofemissie oplevert dan maximaal 15% van de eerder toegestane emissie is op zichzelf niet voldoende om over te kunnen gaan tot vergunningverlening. Recente uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant wijzen daar ook op (uitspraken van 16 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2324). Bij bedrijven die zeer dicht bij Natura 2000-gebied liggen, met een zeer hoge stikstofdepositie op delen van dat gebied, kan ook het volledig benutten van de 15% restemissie een forse impact hebben op de dichtstbijgelegen delen van het gebied. Extreem voorbeeld ter illustratie: als een bedrijf dat vlak naast een Natura 2000- gebied ligt op de lokale hectare een depositie heeft van 4000 mol/ha/jr, dan resteert bij 85% alsnog 600 mol/ha/jr. Bij een KDW van dat gebied van 400 mol/ha/jr is dat onacceptabel. Er zijn verschillende elementen die in de afweging meegenomen kunnen worden: -Totale resterende emissie (aandeel in de deken); -Totale resterende depositie (aandeel in de belasting van een gebied); -Hoogste maximale depositie (aandeel in de lokale piek – aandeel in de overbelasting of ‘opsouperen’ van de ruimte tot de KDW); - Effecten op de natuur, anders dan stikstofdepositie; -Staat van de lokale natuur (natuurdoelanalyse); -Resterend bufferend vermogen van de lokale natuur; -Effecten van (voor)genomen natuurmaatregelen. Voorbeeld van een afweging zou kunnen zijn (hoewel nog behoorlijk generiek): De nieuwe beoogde activiteit heeft een maximale depositie van X mol/ha/jr op het meest nabijgelegen stikstofgevoelige habitat Y van Natura 2000-gebied Z. De KDW van het betreffende habitat betreft X mol/ha/jr. De staat van het gebied is [ invoegen] en er worden [invoegen maatregelen] genomen. De nieuwe activiteit zal in de beoogde situatie daarmee maximaal X% bijdragen aan de KDW. Er resteert op termijn daarmee nog (100-X)% van de KDW voor andere lokale activiteiten en de stikstofdeken/achtergronddepositie in een situatie waarbij de KDW niet wordt overschreden. [eventueel betrekken van bedrijven in de omgeving]. Naar het oordeel van de provincie [naam provincie] staat de beoogde activiteit ook op lange termijn daarmee het behalen van de stikstofdoelen ter plaatse niet in de weg. -- 4 of 13 -- Intern gebruik Tijdsbeperking Bij relatief grote deposities zou een tijdsinperking van de geldigheid van de vergunning kunnen worden opgenomen. Bijvoorbeeld: De lokale resterende depositie blijft 30% van de KDW. De vrijwillige directe daling is van groot belang voor het Natura 2000-gebied. Maar op lange termijn is niet uit te sluiten dat verdere daling van de lokale depositie noodzakelijk is. We beperken de looptijd van de vergunning daarom tot X-jaar, waarna een nieuwe afweging van de natuurgevolgen van het project gemaakt zal moeten worden. Let op: het risico bestaat dat er niet meer intern gesaldeerd kan worden, de referentiesituatie is dan immers vervallen. Het bevoegd gezag zal dan ten aanzien van de natuurvergunning de activiteit moeten beoordelen als een nieuw project. Alle natuurgevolgen in beeld Voor de afweging moeten alle natuurgevolgen van de nieuwe activiteit in beeld zijn gebracht, dus niet alleen de gevolgen wat betreft stikstof. Het is dus mogelijk dat zowel vanwege stikstof als vanwege andere natuurgevolgen dan stikstof, het bevoegd gezag besluit dat de nieuwe activiteit niet door kan gaan. Het is daarom van belang dat er op voorhand contact plaatsvindt tussen de deelnemer (en diens adviseur) en het bevoegd gezag. Aanvulling Rpgb De Rpgb zelf is geen subsidieregeling maar een specifieke uitkering aan de provincies met genotificeerde voorwaarden. De provincies kunneh op basis hiervan een regeling maken met de voorwaarden die in de Rpgb zijn opgenomen. Het handelingsperspectief is van toepassing op de provinciale subsidieregelingen die gebruik maken van het genotificeerde en goedgekeurde voorwaardenkader, die in de Rpgb/specifieke uitkering is opgenomen. Voor de Rpgb is bij volledige intrekking toepassing van het handelingsperspectief mogelijk. Hoewel de Rpgb ook op andere doelen dan stikstof kan zijn gericht, geldt er wel een drempelwaarde voor stikstofemissiereductie (artikel 2 van de Rpgb-regeling). Ook moet minimaal altijd sprake zijn van een blijvende vermindering van stikstofemissie vanaf de desbetreffende veehouderijlocatie (artikel 4, eerste lid, onderdeel a). In tegenstelling tot de landelijke beëindigingsregelingen Lbv, Lbv-plus en Lbv kleinere sectoren stellen provincies op basis van onder meer deze voorwaarden zelf een provinciale regeling op. Dat zorgt ervoor dat er provinciale verschillen kunnen zijn waar bij toepassing rekening mee moet worden gehouden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een provincie niet maximaal 15% van de stikstofemissie waarvoor voorheen toestemming was verleend in de provinciale regeling toelaat, maar een (veel) lager percentage. Om een natuurvergunning te kunnen verlenen voor een nieuwe activiteit, moet worden voldaan aan de provinciale eisen. Voor het overige gelden er dezelfde voorwaarden en risico’s die voor de Lbv, Lbv-plus en de Lbv kleinere sectoren geschetst zijn. Er is een verschil tussen een intrekking van een oude natuurvergunning met een verlening van een nieuwe natuurvergunning voor een nieuwe activiteit, en alleen -- 5 of 13 -- Intern gebruik een intrekking van een natuurvergunning. Hieronder is dit overzichtelijk weergegeven. Voorschrift in het besluit Additionaliteit onderbouwing voor nieuwe activiteit 85% Dat deze intrekking plaatsvindt overeenkomstig de Rpgb Aansluiten bij handreiking, dus additionaliteit onderbouwen door te stellen dat de provinciale regeling op basis van de RPGB een passende maatregel is. 100% Dat deze intrekking plaatsvindt overeenkomstig de Rpgb Nvt. De tekst wordt dan (zie hieronder ook in de lopende tekst): De provinciale regeling op basis van de Rpgb wordt, voor zover deze leidt tot stikstofreductie, in zijn geheel aangemerkt als een passende maatregel. Het op grote schaal beëindigen van de veehouderijactiviteiten en het toestaan van een beperkte nieuwe activiteit leidt tot een aanzienlijke stikstofreductie die, voor zover nodig, wordt ingezet voor natuur ter voldoening aan artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Het toestaan van de beperkte activiteit met een emissie van maximaal 15% of eventueel een lager percentage in het geval van een provinciale regeling] van de emissie waarvoor voorheen toestemming was verleend is noodzakelijk om bedrijven te bewegen om mee te werken aan een veel aanzienlijker stikstofreductie en daarmee onderdeel van de passende maatregel. Het niet-toestaan van een beperkte nieuwe activiteit op de betrokken locatie, is derhalve geen maatregel die ingezet kan worden als instandhoudings- of passende maatregel, want het toestaan van de beperkte activiteit is zelf al (onderdeel van) een passende maatregel. -- 6 of 13 -- Intern gebruik VORM EN ONDERBOUWING VAN EEN BESLUIT Onderstaande motivering en dictum kunnen door de bevoegde gezagen gebruikt worden in hun besluitvorming. De teksten volgen uit het bovengenoemd handelingsperspectief, gebaseerd op intern salderen. Uiteraard kunnen dictum en motivering door bevoegde gezagen worden aangevuld en gewijzigd naar eigen inzicht, passend bij de eigen bevoegdheid. Dit template/format gaat uit van één besluit waarmee zowel het nieuwe project als de stopzetting van de oude activiteit wordt geregeld. Motivering Het voorgenomen besluit voorziet in het toestaan van een nieuwe activiteit op locatie X die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitat(s) binnen Natura 2000-gebied(en) ‘X’. Het nieuwe project wordt aangevraagd in directe samenhang met beëindiging van de bestaande veehouderijactiviteiten op dezelfde locatie (X) in het kader van de [regeling invullen]. Het doel van de regelingen is om daarmee de stikstofemissie door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties te verlagen en daarmee de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen, zodat die gebieden kunnen worden behouden en zich kunnen herstellen. Op grond van deze regelingen dient de productie en productiecapaciteit op een veehouderijlocatie definitief en onherroepelijk beëindigd te worden en mag op de locatie een nieuwe activiteit worden verricht als deze maximaal 15% [of eventueel een lager percentage in het geval van een provinciale regeling] van de oorspronkelijk met het project vergunde stikstofruimte oplevert. Om de stikstofemissie van het aangevraagde nieuwe project te mitigeren wordt de emissie van het reeds toegestane project als referentiesituatie gehanteerd. Daarmee is sprake van een situatie die wordt aangemerkt als intern salderen. Hieronder wordt onderbouwd op welke wijze daarbij wordt voldaan aan de wetgeving en jurisprudentie inzake intern salderen en (indien van toepassing) aan de vereisten die volgen uit provinciale beleidsregels. Stikstofdepositie aangevraagd project De aangevraagde activiteit leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) ‘X’. Tabel X geeft een overzicht van de habitattypen waarop het project depositie veroorzaakt en de omvang van de depositie. Tabel X. Resultaten AERIUS-berekening aangevraagde situatie Voor X van de Z habitattypen blijkt uit de natuurdoelanalyses dat eindoordeel ‘nee, tenzij’ wordt gegeven. Dit houdt in dat het vastgestelde pakket aan maatregelen niet volstaat om verslechtering tegen te gaan en realisatie van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk te maken. De natuurdoelanalyse maakt in -- 7 of 13 -- Intern gebruik dat geval duidelijk wat de knelpunten zijn. In Y van de Z habitattypen is stikstofbelasting een knelpunt. In de natuurdoelanalyses is geconcludeerd dat aanvullende stikstofreducerende maatregelen noodzakelijk zijn voor het behalen van de relevante instandhoudingsdoelstellingen. Zodoende is het noodzakelijk dat aanvullende maatregelen worden getroffen om tot het doelbereik te komen. Verderop in dit besluit lichten wij verder toe waarom wij van mening zijn dat de mitigerende maatregel, die een in emissie en depositie minimale toekomstige activiteit mogelijk maakt, niet noodzakelijk is om ingezet te worden als aanvullende maatregel voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Wij geven namelijk met de [regeling invullen], waar dit besluit mee samenhangt, en andere passende maatregelen, waaronder [invullen], invulling aan HR 6.2. Referentiesituatie van het project Om bovenstaande depositie van de aangevraagde activiteit te mitigeren gaat de aanvraag uit van intern salderen met de toegestane activiteit op de locatie. […tekst ingekort]
Bronnen en actualiteit
“Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond vast op € 19.833.256.”
- Archief websiteUitvoerder/loket · brabant.nl10 jul 2026
Toon brontekst
Direct naar contentDirect zoeken Berichten over uw Buurt Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving Rondom uw woonadres Rondom een zelfgekozen adres Dienstverlening Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies. Naar dienstverlening Beleid & regelgeving Officiële publicaties van de overheid. Naar beleid & regelgeving Contactgegevens overheden Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties. Naar overheidsorganisaties U bent hier: Lokale wet- en regelgeving Uitgebreid zoeken Regeling Wetstechnische informatie Regeling tekst Inhoudsopgave Intitule Paragraaf 1. Voorfase met vooraanmelding Artikel 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.2 Doelgroep vooraanmelding Artikel 1.3 Vereisten vooraanmelding Artikel 1.4 Taxatie Artikel 1.5 Weigeringsgronden Artikel 1.6 Rangschikking Paragraaf 2 Subsidie gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Artikel 2.1 Begripsbepalingen Artikel 2.2 Doelgroep Artikel 2.3 Subsidievorm Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten Artikel 2.5 Weigeringsgronden Artikel 2.6 Subsidievereisten Artikel 2.7 Subsidiabele kosten Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten Artikel 2.9 Aanvraagvereisten Artikel 2.10 Subsidieplafond Artikel 2.11 Subsidiehoogte Artikel 2.12 Verdelingswijze Artikel 2.13 Subsidieverlening Artikel 2.14 Verplichtingen bij volledige sluiting van de veehouderijlocatie Artikel 2.15 Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie met één diersoort Artikel 2.16 Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie met meer dan één diersoort Artikel 2.17 Verantwoording Artikel 2.18 Bevoorschotting en betaling Artikel 2.19 Subsidievaststelling subsidies tot € 125.000 Artikel 2.20. Gegevensverwerking Paragraaf 3 Slotbepalingen Artikel 3.1 Evaluatie Artikel 3.2 Inwerkingtreding Artikel 3.3 Citeertitel Ondertekening BIJLAGE 1 Openstellingsgebied, BIJLAGE 2, BIJLAGE 3, BIJLAGE 3a Toelichting behorende bij de Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant Permalink Printen Permanente link Naar de actuele versie van de regeling https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746606 Naar de door u bekeken versie https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR746606/1 sluiten Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 4 november 2025 houdende regels voor het verstrekken van subsidies voor de gebiedsgerichte beëindiging van veehouderijlocaties in Noord-Brabant (Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant) Geldend van 12-11-2025 t/m heden Intitulé Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 4 november 2025 houdende regels voor het verstrekken van subsidies voor de gebiedsgerichte beëindiging van veehouderijlocaties in Noord-Brabant (Subsidieregeling gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Noord-Brabant) Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; Overwegende dat het wenselijk is de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden te verminderen ter bescherming en herstel van de natuurwaarden; Overwegende dat de beëindiging van veehouderijlocaties in en rondom deze gebieden daaraan een wezenlijke bijdrage kan leveren; Overwegende dat Gedeputeerde Staten, op basis van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties, subsidie willen bieden voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke beëindiging van veehouderijlocaties; Besluiten vast te stellen de volgende regeling: Paragraaf 1. Voorfase met vooraanmelding Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: AERIUS Calculator: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofemissie, beschikbaar op www.aerius.nl; dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop; natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet; omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving; omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet; productiecapaciteit: onroerende zaken van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond(en), de bedrijfswoning en de mestvergister die voor minder dan 50 % van de totaal te behandelen dierlijke meststoffen afhankelijk is van de dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van de volledig of gedeeltelijk te sluiten veehouderijlocatie van de betreffende veehouderijonderneming; productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in: a. voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat; b. voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; c. voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; stikstofemissie: het totaal van de stikstofemissie vanaf een veehouderijlocatie, uitgedrukt in kilogram ammoniak per jaar, bepaald door optelling van de stikstofemissie per diercategorie overeenkomstig artikel 2.6, tweede lid; veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een veehouderijonderneming drijft; veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging; veehouderijonderneming: landbouwonderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of de vermeerdering van de desbetreffende dieren. Artikel 1.2 Doelgroep vooraanmelding Een veehouderijonderneming, waarvan de veehouderijlocatie geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een van de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze regeling, kan zich aanmelden als belangstellende voor het indienen van een subsidieaanvraag als bedoeld in paragraaf 2 van deze regeling. Artikel 1.3 Vereisten vooraanmelding 1. Aanmelden als belangstellende kan van 1 december 2025 tot en met 13 februari 2026. 2. Voor de aanmelding wordt het aanmeldformulier gebruikt, samen met de bijlagen die daarbij worden gevraagd. 3. De aanmelding bevat de volgende gegevens: a. gegevens over de veehouderijonderneming, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder de veehouderijonderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel; b. de veehouderijlocatie van de veehouderijonderneming waarop een eventuele subsidieaanvraag betrekking heeft; c. het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar; d. de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat als gevolg van een onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie zal vervallen; e. een opgave of de veehouderijonderneming voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning of natuurtoestemming; f. een opgave van de op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van: 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en 2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf. 4. Bij de aanmelding als belangstellende worden in ieder geval de volgende bescheiden gevoegd: a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning milieu of de natuurvergunning of natuurtoestemming betreffende de veehouderijlocatie waarop een eventuele subsidieaanvraag betrekking heeft, inclusief milieutekening; b. een verklaring van de veehouderijonderneming dat: 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft; 2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanmelding op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofemissie met gebruikmaking van de meest actuele AERIUS Calculator; d. een kopie van de administratie waaruit het gemiddelde aantal dieren per diercategorie dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofemissie gebruikte referentiejaar blijkt; e. een kaart waarop de ligging van de veehouderijlocatie is weergegeven, met een duidelijke aanduiding van: 1°. de productiecapaciteit die op de veehouderijlocatie in gebruik is voor de veehouderijactiviteiten, en 2°. de productiecapaciteit die geheel of gedeeltelijk zal worden afgebroken en verwijderd. Artikel 1.4 Taxatie Gedeputeerde Staten kunnen op basis van de vooraanmelding een opdracht verstrekken voor het uitvoeren van een taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en te verwijderen productiecapaciteit. Artikel 1.5 Weigeringsgronden Een veehouderijonderneming komt niet in aanmerking voor een taxatie indien: a. de veehouderijlocatie niet ligt op het grondgebied van de provincie Noord-Brabant; b. de veehouderijlocatie niet is gelegen binnen één van de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze regeling; c. voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie reeds subsidie of een bijdrage is verstrekt; d. de veehouder op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting of de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie een aanvraag heeft ingediend die in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, tenzij de veehouder de aanvraag heeft ingetrokken; e. de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming drijft en de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de datum van vooraanmelding op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; f. de belangstellende zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; g. de stikstofemissiereductie van de veehouderijlocatie in het referentiejaar niet meer bedraagt dan de volgende drempelwaarde: 1°. 250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie; 2°. 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee; 3°. 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie. Artikel 1.6 Rangschikking 1. Op basis van de vooraanmeldingen maken Gedeputeerde Staten een inschatting van het totale subsidiebedrag dat nodig zou zijn om alle belangstellenden subsidie te verlenen voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van hun veehouderijlocatie. 2. Indien deze inschatting hoger is dan het beschikbare subsidieplafond, rangschikken Gedeputeerde Staten de belangstellenden om te bepalen in welke volgorde zij in aanmerking komen voor een taxatie. 3. De rangschikking vindt plaats op basis van kosteneffectiv […tekst ingekort]
Deze informatie is geautomatiseerd samengesteld uit officiële bronnen en kan onvolledig zijn. Controleer details bij de verstrekker. Elk hard feit toont een citaat uit de brontekst.